Pijler 03 · Van vlasveld tot blik
Rauwe, gekookte en geblazen lijnolie, en standolie: wat is het verschil?
Alle vier beginnen als dezelfde olie uit lijnzaad. Rauwe lijnolie is alleen geperst en gefilterd, gekookte lijnolie heeft drogers gekregen, geblazen lijnolie is met lucht ingedikt en standolie is zonder lucht verhit tot de moleculen al vooraf aan elkaar haken.
Van vlaszaad tot olie
Lijnolie komt uit het zaad van vlas (Linum usitatissimum). Voor olie teelt men olievlas; vezelvlas voor linnen is een andere teelt. Volgens de verfchemicus Gardner (1911) bevat het zaad ongeveer 36 procent olie.
Gardner beschrijft de industriële route: het zaad wordt gemalen, verwarmd en geperst. Daarna gaan slijm, fosfaten en andere vaste deeltjes eruit door te filteren, na te persen en de olie te laten rusten. Olie voor vernis werd toen ook nog met zwavelzuur geraffineerd en met loog nagewassen.
Tegenwoordig wordt lijnolie geperst, soms gevolgd door extractie met een oplosmiddel om er meer olie uit te halen. Koudgeperste lijnolie, zonder verwarmen en zonder oplosmiddel, is vooral bedoeld als voedingsolie.
Waarom lijnolie droogt: het jodiumgetal
Lijnolie droogt niet door verdampen. De vetzuren nemen zuurstof op en koppelen aan elkaar tot een vast netwerk. Dat lukt alleen bij onverzadigde vetzuren: ketens met dubbele bindingen. Hoe meer dubbele bindingen, hoe sneller en harder de olie droogt.
Het jodiumgetal meet dat. Het zegt hoeveel gram jodium 100 gram olie kan binden, en jodium hecht zich aan dubbele bindingen. Gardner noemt voor lijnolie ongeveer 190 en mat in een monster rauwe lijnolie 180. Oliën met een laag jodiumgetal drogen heel traag of helemaal niet.
Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam geven voor lijnolie gemiddeld 52 procent linoleenzuur (drie dubbele bindingen) en 16 procent linolzuur (twee). Volgens de vuistregel in hun review is een olie drogend als linolzuur plus twee keer linoleenzuur boven de 70 uitkomt. Lijnolie scoort zo rond de 120, sojaolie net onder de 70, olijfolie veel lager.
Rauwe lijnolie: zuiver, maar traag
Rauwe lijnolie is geperst en gefilterd, zonder toevoegingen. Ze droogt wel vanzelf aan de lucht, maar langzaam. De brandweer van Nieuw-Zeeland schrijft dat volledig uitharden weken kan duren.
Waarom zo traag? Lijnolie bevat van nature antioxidanten. Volgens de UvA-review begint de reactie met zuurstof daardoor pas na een wachttijd. Zonder hulpstof komt het proces alleen langzaam op gang.
Een dikke laag rauwe lijnolie blijft daardoor lang plakkerig. Dat is de reden dat bijna geen kant-en-klare houtolie uit pure rauwe lijnolie bestaat.
Gekookte lijnolie: vooral drogers
De naam is misleidend. Wat gekookte lijnolie sneller laat drogen, zijn drogers (sikkatieven): metaalverbindingen die de reactie met zuurstof versnellen. Volgens de UvA-review is een veelgebruikte droger een kobaltverbinding (kobalt(II)-2-ethylhexanoaat).
Vroeger werd de olie wel echt verhit. Gardner beschrijft in 1911 open ketels waarin rauwe olie heet werd gestookt met loodglit (loodoxide) en mangaan. Andere fabrieken verhitten tot ongeveer 120 °C met mangaanresinaat, of tot boven 200 °C met mangaanoxide. Ook Rembrandt gebruikte waarschijnlijk zo'n olie: onderzoekers van onder meer de UvA vonden in De Nachtwacht een loodverbinding die volgens hen afkomstig is van opgelost loodoxide in de lijnolie, bedoeld om sneller te drogen.
Hoeveel een moderne gekookte lijnolie nog verhit is, verschilt per fabrikant en staat zelden op het etiket. Volgens een standaard naslagwerk is het vaak een mengsel van rauwe lijnolie, wat standolie en metaaldrogers.
Geblazen lijnolie en standolie: vooraf ingedikt
Geblazen lijnolie ontstaat door lucht door warme lijnolie te blazen. Gardner noemt ongeveer 93 °C, met of zonder droger. De olie neemt al in de ketel zuurstof op en wordt dikker. Het jodiumgetal daalt: Gardner mat 133 bij geblazen olie, tegen 180 bij rauwe.
Standolie gaat juist zonder lucht. De chemicus Boelhouwer beschreef in 1953 in het Chemisch Weekblad dat lijnolie daarvoor rond 300 °C wordt verhit, ongeveer 6 tot 12 uur, afhankelijk van hoe dik de olie moet worden. Om oxidatie te voorkomen stookte men in een koolzuuratmosfeer of in gesloten ketels onder vacuüm. Nederlandse bedrijven gaven volgens hem de voorkeur aan open ketels.
Bij standolie haken de oliemoleculen door de hitte aan elkaar. Dat heet thermische polymerisatie. Een ander naslagwerk noemt bij ongeveer 300 °C een duur van enkele dagen; de bronnen verschillen dus in de tijd.
Standolie en de Zaanse oliemolens: een Nederlands verhaal
Volgens Boelhouwer werd de standoliebereiding die in 1953 nog gangbaar was, rond 1830 voor het eerst toegepast door een schilder uit Bennebroek. De methode werd in Nederland op grote schaal gebruikt. De handelsnaam „standolie” zou in andere talen zijn overgenomen als „stand oil”. Dat staat in één bron; een tweede bevestiging hebben we niet.
De Zaanstreek was eeuwenlang het centrum van de olieslagerij. Volgens het Molenmuseum stonden er meer dan 1100 molens, waarvan ongeveer een vijfde oliemolen. De folder van De Zaansche Molen noemt 200 oliemolens. Het hoogtepunt lag vooral in het begin van de achttiende eeuw; samen maakten de molens ruim 20 miljoen liter olie per jaar. Daarna namen stoomfabrieken het over; daaruit kwamen onder meer Duyvis, IOI Loders Croklaan, Honig en Forbo voort.
Oliemolen De Bonte Hen op de Zaanse Schans dateert van 1693. Volgens de lesbrief van het Molenmuseum wordt daar olie uit lijnzaad geslagen. Kantstenen pletten het zaad, het meel wordt op de vuister (een stenen fornuis) verwarmd en gaat in een wollen zak, de buul. De slaghei perst er de olie uit; de overgebleven koek werd veevoer. Volgens de folder van De Zaansche Molen produceert de molen nog steeds plantaardige oliën.
Wat er in kant-en-klare houtolie zit
Een blik houtolie voor buiten is bijna nooit pure lijnolie. Meestal gaat het om een drogende olie als bindmiddel, met daarbij:
- Drogers, zodat een laag in uren stofdroog is in plaats van in dagen.
- Pigment, dat het hout tegen zonlicht beschermt en kleur geeft.
- Oplosmiddel, zodat de olie dun genoeg is om te verwerken en in het hout te trekken.
- Soms een hars of alkyd voor een hardere laag.
Drogers, vulstoffen en pigmenten zijn volgens de UvA-review de gangbare toevoegingen aan lijnolie. Welke olie precies gebruikt is (rauw, gekookt, geblazen of standolie), zetten fabrikanten zelden op het blik.
Hoe weten we dit?
De belangrijkste beweringen op deze pagina, met waar ze vandaan komen en hoe zeker ze zijn.
- BRONzeker
Lijnolie droogt doordat onverzadigde vetzuren zuurstof opnemen en tot een netwerk koppelen; lijnolie bevat gemiddeld 52 procent linoleenzuur. [2]
- BRONwaarschijnlijk
Het jodiumgetal van rauwe lijnolie ligt rond 180 tot 190; door blazen daalt het (Gardner mat 133). [1]
- BRONzeker
Gekookte lijnolie dankt haar snellere droging vooral aan metaaldrogers; vroeger werd ze met loodoxide en mangaan verhit. [1]
- BRONonzeker
Hoeveel een moderne gekookte lijnolie nog verhit wordt, verschilt per fabrikant. [4]
- BRONwaarschijnlijk
Standolie wordt zonder lucht verhit rond 300 °C; de duur verschilt per bron (6 tot 12 uur volgens Boelhouwer 1953, enkele dagen volgens een ander naslagwerk). [3]
- BRONonzeker
De standoliebereiding werd rond 1830 voor het eerst toegepast door een schilder uit Bennebroek, en de naam stand oil komt van de Nederlandse handelsnaam. [3]
- BRONzeker
Oliemolen De Bonte Hen (1693) op de Zaanse Schans slaat olie uit lijnzaad en produceert nog plantaardige oliën. [6]
- ERVARINGwaarschijnlijk
Veel kant-en-klare houtoliën bevatten naast olie, drogers, pigment en oplosmiddel ook een hars of alkyd.



